Aardbevingen

Tijdens een aardbeving trilt of schokt de aardkorst omdat er veel energie vrijkomt. Vaak ontstaan aardbevingen door het verschuiven van tektonische platen . Deze platen kunnen naar elkaar toe bewegen (convergentie)van elkaar af (divergentie) en langs elkaar (transversaal).

Deze plaatbewegingen gebeuren vaak plotseling, er is dan meestal al jarenlang spanning opgebouwd. Een aardbeving begint altijd onder de grond in het hypocentrum met schokken die doordringen tot de aardkorst. De plek aan het aardoppervlak recht boven het hypocentrum noemen we het epicentrum, hier is de schok vaak het grootst. Aardbevingen komen dus vaak voor aan de grenzen van platen.

Landen die in de buurt liggen van zo’n plaatgrens hebben dus een grotere kans op een aardbeving. Wanneer een beving plaatsvindt onder het zeeoppervlak spreken we van een zeebeving, de golven die worden veroorzaakt door een zeebeving heten ook wel een tsunami. Aardbevingen worden meestal gemeten met de schaal van Richter. De schaal van Richter geeft de zwaarte van de aardbeving aan met een getal tussen de 1 en 9. Een negen is het zwaarst en heeft catastrofische resultaten. Een 1 op de schaal van Richter is nauwelijks waarneembaar. Een andere manier van het meten van aardbevingen is de schaal van mercalli.