De aardkorst bestaat uit verschillenden platen. Verschuiving tussen deze platen is de platentektoniek. De platen bewegen door een mantelpluimen uit de asthenosfeer. Er zijn twee verschillende soorten platen, contentinentale platen die bestaan uit graniet en oceanische platen die bestaan uit basalt. Deze platen bewegen op verschillende manieren.
Divergente plaatbeweging, bij een divergente plaatbeweging, bewegen twee aardplaten uit elkaar. Hierdoor ontstaat er een gat in de aardkorst, waardoor nieuw magma omhoog komt. Wanneer dit afkoelt en stolt, wordt er op deze manier nieuwe aardkorst gevormd.
Convergente plaatbeweging, bij een convergente plaatbeweging schuiven twee aardplaten naar elkaar toe en botsen op elkaar. Op het moment dat beide aardplaten continentale aardplaten zijn, duwen ze elkaar, en gaat de punt tussen de twee omhoog. Op deze manier ontstaat er een zogenaamd plooiingsgebergte. Echter wanneer minimaal 1 van de aardplaten een oceanische aardplaat is, schuift de zwaarste aardplaat (altijd de (oudste) oceanische aardplaat) onder de lichtere aardplaat. We noemen dit proces subductie. Hierdoor ontstaat er een spleet in de aardkorst, die de aardmantel inloopt. Omdat deze spleet in de oceaan ligt, wordt dit een diepzeetrog genoemd.
Transforme plaatbeweging, aardplaten kunnen ook transform of transvergent van elkaar bewegen. Dit betekent dat de aardplaten alleen maar langs elkaar schuren. Hierdoor ontstaat er geen vulkanisme, maar is er wel kans op aardbevingen.

The ridge-push en slab-pull model
De oceanische aardplaat is dunner dan de continentale aardplaat, maar omdat de oceanische aardplaat bestaat uit basalt gesteente en de continentale aardplaat bestaat uit graniet gesteente is de dichtheid en de massa van de oceanische aardplaat groter dan die van de continentale aardplaat. Op het moment dat een oceanische aardplaat en een continentale aardplaat op elkaar botsen ontstaat er een subductiezone. Dat betekent dat de oceanische lithosfeer door de zwaartekracht de asthenosfeer ingetrokken wordt waar hij voor een deel zal smelten. Er ontstaat aan het aardoppervlak bij de subductiezone een vulkanisch gebergte. Ongeveer boven de plek daar waar de oceanische lithosfeer de asthenosfeer induikt en voor een deel smelt. Het wegtrekken van de oceanische lithosfeer noem je slab-pull.
Waar aan de ene kant van de oceanische aardplaat delen van de lithosfeer verdwijnen, ontstaat er aan de andere kant van de oceanische aardplaat juist een ‘gat’. Dit gedeelte komt meer op rek te staan en magma krijgt de kans om ‘het gat’ op te vullen. Magma brand zich gemakkelijk door het aardoppervlak heen en eenmaal aangekomen aan het aardoppervlak zal de magma stollen tot nieuwe oceanische lithosfeer. Omdat magma op deze plek omhoog blijft komen wordt de oceanische aardplaat daar steeds verder weg geduwd. Ook wel ridge-push genoemd. Hierdoor ontstaat er op deze plek dus een divergente plaatbeweging, waarbij de aardplaten steeds verder uit elkaar komen te liggen. Daarbij zorgen de convectiestromen in de mantel van de aarde voor een versterking van dit endogene proces.

Als twee oceanische aardplaten op elkaar botsen vind hetzelfde proces plaats. Dit komt doordat de oudste oceanische lithosfeer onder de jongste oceanische lithosfeer duikt. Dit kan gebeuren doordat de oudste lithosfeer namelijk zwaarder is en door de zwaartekracht sneller naar beneden wordt getrokken. Echter, omdat een deel van het vulkanisch gebergte onder de zeespiegel ligt, wordt er hier gesproken over een vulkanische eilandenboog in plaats van een vulkanisch gebergte.